Limburg dreigt hardst te lijden onder begrotingssanering
door Fouad Gandoul, politicoloog
Een begrotingssanering die vooral steunt op koopkrachtverlies, besparingen in zorg en publieke diensten en het uitstellen van investeringen, zal onze provincie onvermijdelijk harder treffen dan de rest van het land. Een indexsprong, hogere btw, besparingen in de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en de overheidstewerkstelling raken vooral loontrekkenden, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden. Van precies die groepen telt Limburg er verhoudingsgewijs veel. En toch zullen ook die recepten op tafel liggen tijdens de federale begrotingsonderhandelingen.
Toen Ford Genk eind 2014 de poorten sloot, verloor Limburg in één klap ruim achtduizend jobs: 4.300 in de fabriek, 3.800 bij de toeleveranciers. Limburg won de verloren jobs terug, maar niet de volledige economische slagkracht. Het bbp per inwoner steeg tussen 2013 en 2023 met 3,6 procent per jaar tegenover 4 procent in Vlaanderen. De productiviteitskloof met Vlaanderen sluit intussen tergend traag, van 13,8 procent in 2023 naar 13,2 procent in 2024. Dat maakt onze provincie kwetsbaar voor wat er nu op ons afkomt. Want de begrotingsrekening valt niet overal even zwaar. Ze valt het hardst waar de schouders het smalst zijn. En dus ook hier.
Dat de rekening komt, staat vast. Eind 2025 bedroeg de overheidsschuld 107,9 procent van het bruto binnenlands product (bbp), vier procentpunten meer dan een jaar eerder, of 692,5 miljard euro. Het begrotingstekort bedroeg 5,2 procent van het bbp tegenover 4,4% in 2024. In euro’s komt dat neer op 33,2 miljard. De ontvangsten stegen minder snel dan de economie en zakten daardoor als aandeel van het bbp, terwijl de uitgaven verder opliepen. De totale overheidsuitgaven bedragen intussen zowat 54,2 procent van het bbp. De Nationale Bank noemt het traject bij ongewijzigd beleid onhoudbaar en de aangekondigde maatregelen grotendeels onvoldoende. Tegen 2031 zou het tekort immers oplopen tot 6,2 procent van het bbp of 48,5 miljard euro en de schuldgraad tot 122,6 procent van het bbp. Om het tekort terug te brengen naar de Europese referentiewaarde van 3 procent van het bbp en de buitensporigtekortprocedure te beëindigen, zijn ingrepen nodig die veel verder gaan dan de tot dusver aangekondigde maatregelen. Raadsheer Rudi Moens van het Rekenhof sprak in de Kamer over minstens 15 à 20 miljard euro om het tekort richting 3 procent te brengen. Dat terwijl de federale regering vandaag op amper 10 miljard euro mikt. Politici kennen de remedie. Ze vrezen vooral de bijsluiter: electorale bijwerkingen. De spanning tussen noodzakelijk langetermijnbeleid en de kortetermijnlogica van de electorale cyclus verlamt de politieke klasse.
Hoe zijn we hier geraakt? Door decennia uitstel. Bijna elke politieke familie die sinds 1999 mee bestuurde, schoof de moeilijke keuzes door. De coalitiekleuren wisselden, de reflex om moeilijke keuzes door te schuiven bleef. Verantwoordelijkheid die iedereen deelt, draagt niemand. Dat is de kern van het Belgische begrotingsbederf. Keer op keer zijn structurele hervormingen vooruitgeschoven, denk aan de lang voorspelde vergrijzingsbom, waardoor de schuldenberg is blijven groeien. De harde economische realiteit haalt de politieke traagheid in: het venster om in te grijpen sluit inmiddels sneller dan de politieke klok tikt.
Het gevolg is het opdoemende gevaar van de rentesneeuwbal. Van een sneeuwbaleffect in strikte zin is sprake wanneer de impliciete rente op de overheidsschuld hoger ligt dan de nominale bbp-groei. Volgens het Rekenhof blijft dat rente-groeiverschil tot en met 2031 nog net negatief. Het verkleint wel van min 1,49 procentpunt in 2025 tot amper min 0,06 procentpunt in 2031. Tegelijk blijft het primaire saldo zwaar negatief. Daardoor stijgt de schuldquote ook zonder dat de technische sneeuwbal al volledig aan het rollen is. Met andere woorden: zolang de economie sneller groeit dan de rente op de schuld, blijft alles beheersbaar. Kantelt die verhouding, dan leent de overheid bij om rente op oude schuld te betalen, waarna die nieuwe schuld opnieuw rente draagt. Twee buffers hielden die bal jarenlang tegen: een zeer lage rentevoet en een lange looptijd. Beide slijten. Elk jaar wordt een tiende van de schuld geherfinancierd, en goedkope
pandemieleningen worden vervangen door leningen tegen 3,5 procent. De rentelasten stijgen voor het vierde jaar op rij. Het Monitoringcomité raamt de economische rentelasten van de federale overheid op 12,7 miljard euro in 2026, 18,8 miljard in 2029 en 23,7 miljard in 2031. Vanaf 2031 dreigt de sneeuwbal echt te rollen.
Niet elke euro besparing is verstandig. Wie te bruusk snoeit, riskeert de groei in een transitieregio als Limburg te smoren: minder koopkracht betekent minder bestedingen, minder investeringen, minder herstel. De uitweg uit deze benarde situatie is alom bekend, uitvoerig bestudeerd en voorspelbaar. Slimmer uitgeven, breder in plaats van hoger belasten, maximaal inzetten op sneller en duurzamer groeien. Daarvoor is de steun over álle bestuursniveaus en álle partijen heen noodzakelijk. Wat helaas ontbreekt is de collectieve zin voor verantwoordelijkheid die verder kijkt dan de volgende verkiezingen.
In de geest van sommigen leeft trouwens het waanidee dat vervroegde verkiezingen soelaas zouden kunnen brengen in een volledig vastlopende federale coalitie. Niets is minder waar. Wie straks de federale regering leidt of welke coalitie na eventuele vervroegde stembusgang verrijst, is irrelevant voor de omvang van de opdracht.
De omvang van de sanering wordt door de rekenkunde bepaald. De verdeling ervan blijft een politieke keuze. De sociaaleconomische parameters liggen vast. Zelfs onder een hypothetische linkse constellatie blijft een sanering van de overheidsuitgaven dwingend noodzakelijk. Een verbreding van de fiscale basis en een structurele staatshervorming, gericht op efficiëntie en budgettaire responsabilisering, vormen de conditio sine qua non om de structurele ontsporingen uit het verleden definitief achter ons te laten.
Twee waarheden blijven overeind ongeacht hoe men de begroting ook keert. Schulden zijn het stille gif voor toekomstige generaties. En begrotingsdiscipline is geen boekhoudkundige fetisj. Zij is de voorwaarde om in de volgende crisis nog zelf keuzes te kunnen maken. Wie dat blijft uitstellen, pleegt schuldig verzuim. En de eerste die de rekening krijgt, is de Limburger met de smalste schouders.